Blogs

Werk ik samen met een lobbyist?!

Bij mijn lobbytrainingen zorg ik er vaak voor dat mijn cursisten in gesprek gaan met een Rijksambtenaar. Bij mijn voorgesprekken met zo’n ambtenaar moet ik vaak grinniken. Want Rijksambtenaren hebben niet door dat ze regelmatig met een lobbyist omgaan.

“Leuk om met een groep in gesprek te gaan,”  kreeg ik eens te horen, “maar ik heb eigenlijk niet zoveel met lobby te maken.”

Waarop ik zei: “O, wat grappig, jij doet toch veel met Brussel en met innovatie? Ik kan me haast niet voorstellen dat je niet belobbyd wordt.”

“Toch niet, hoor. Als ik naar Brussel ga, neem ik meestal iemand van VNO-NCW mee.”

“En wat denk je dat deze persoon bij jou gedaan heeft? Mooie lobby, om zo te zorgen dat een Rijksambtenaar je toegang geeft tot andere beslissers!”

Of een andere keer: “Ik word eigenlijk niet belobbyd. Ik werk alleen met mensen en organisaties samen.” Bij deze laatste ambtenaar bleek zijn beeld van lobby beperkt te zijn tot mensen en organisaties die iets probeerden tegen te houden. Die dus pas van zich laten horen als beleid al uitgekristalliseerd is, en dan irritant gaan lopen doen.

Ik vind dit soort uitingen boeiend. Het zegt namelijk veel over ambtenaren en over hoe zij hun werk verstaan. Samenwerking staat op zich hoog aangeschreven, want men wil niet het verwijt krijgen dat er beleid gemaakt wordt vanuit een ivoren toren. Het probleem is alleen dat een Rijksambtenaar aan de ene kant bang lijkt om belobbyd te worden en aan de andere kant vooral samenwerking zoekt met gevestigde organisaties, zoals VNO-NCW bij het ministerie van EZK, de ANWB bij het ministerie van I&W, de LTO bij het ministerie van LNV. Er gaan zo twee dingen mis. Ambtenaren sussen zichzelf in slaap door te denken dat ze door deze organisaties niet belobbyd worden. Terwijl ook deze gevestigde organisaties vanuit een beredeneerd eigenbelang opereren.  Dezelfde ambtenaren hebben een vreemde angst voor lobbyisten (dat zijn namelijk lastige gasten) en missen zo een grote kans om zich nog breder te laten informeren. Natuurlijk hoef je de gevestigde clubs niet over te slaan (vaak hebben zij ook hun status verdiend). Maar zorg dat je je voelsprieten wijder uitzet. Heb een uitnodigende houding naar alle lobbyisten. Dat is goed voor het democratische proces. Je hoeft dan alleen nog je eigen afweging te maken om je minister of staatssecretaris optimaal te adviseren.

———————————————————————————————————

De lafheid regeert

“Voedings- en alcohollobby fnuiken preventieakkoord”.

Als ik zo’n kop in het NRC lees, denk ik: “Jammer”. Maar niet om de reden die je nu misschien denkt.

Er wordt al jaren gesproken over te veel suikers, zout en vet in ons eten, over roken en overmatig gebruik van alcohol. Het zou mooi zijn als producenten en verkopers van voedsel, rookwaar en drank hun eigen verantwoordelijkheid hierin zouden nemen. En ja, je kunt erover twisten of dat snel en goed genoeg gaat.

Maar daar zit mijn gevoel van “jammer” niet zozeer. Dit gevoel komt door de suggestie die in de kop wordt gedaan. De koppenmaker is kennelijk van mening dat een lobby de macht heeft. Deze journalist legt de verantwoordelijkheid voor weinig vooruitgang bij preventie niet bij de staatssecretaris, maar bij de lobbyisten.

Wat ik hier zo jammer aan vind, is dat de heersende opinie is dat de mensen met macht (in dit geval de staatssecretaris) kunnen doen alsof iets niet hun verantwoordelijkheid is. Alsof ze geen andere keus hebben dan zich te laten gijzelen door tegenstribbelende lobbyisten. Alsof ze geen andere mogelijkheid hebben dan jarenlang om tafel gaan, ook als je het idee hebt dat een sector te langzaam beweegt.

Dat betekent niet dat je lobbyisten moet negeren. Als het goed is, brengen zij kennis mee van het onderwerp, van wat er allemaal speelt, van wat er wel en niet mogelijk is. Tijdens dat luisteren moet je alleen beseffen dat lobbyisten voor een deelbelang staan. Dat is van het begin af aan duidelijk. Het is uiteindelijk de staatssecretaris die de keuze maakt naar welke argumenten hij het meest wil luisteren en die een afweging en een keuze moet maken tussen de deelbelangen. Dat vergt soms lef, maar dat mag je van een bestuurder wel verwachten.

Laten we de lobbyist blijven zien voor wat die is: een partij die zijn standpunt het best voor het voetlicht probeert te krijgen. Laten we de macht blijven zien waar die is: bij de beslisser, in dit geval de staatssecretaris. En laten we machthebbers blijven aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid.

———————————————————————————————————

Vertrouwd of effectief?

Wat gaat voor bij lobby? Comfort of strategie? Deze vraag kwam in mij op toen ik las dat de Alliantie Rookvrij Nederland niet meer wil samenwerken met de longartsen Pauline Dekker en Wanda de Kanter. De twee zouden te activistisch zijn.

Pikant nieuws. Zeker omdat de initiatiefnemers van de Alliantie, de Hartstichting, KWF Kankerbestrijding en het Longfonds, alle gerenommeerde organisaties zijn. Maar vooral omdat ze bondgenoten publiekelijk afkeuren op basis van hun middelen. Kennelijk staat voor de Alliantie voorop om via samenwerking het doel van een rookvrij Nederland te bereiken. Dat blijkt ook uit de waslijst van aangesloten organisaties, waaronder veel gemeenten, zorgverzekeraars, onderwijsinstellingen en zelfs Scouting Nederland.

Het nieuws was een schok voor veel Nederlanders die tegen roken zijn. De uit de Alliantie gezette longartsen ontvingen ontzettend veel steunbetuigingen. Onbegrip viel de Alliantie ten deel.

Vanuit lobby geredeneerd is nu de vraag: hoe strategisch was deze zet van de Alliantie? Los van eventuele imagoschade. Hebben zij tevoren een goede afweging gemaakt tussen activisme en samenwerken? Of was er vooral sprake van een voorkeurspositie? Omdat clubs als de Hartstichting, KWF en het Longfonds nu eenmaal opereren vanuit de samenwerkingsgedachte? Of hadden ze hier wel degelijk een goede analyse gemaakt, en konden ze geen meters maken omdat ze vooral druk waren met intern gedoe, veroorzaakt door de activistische longartsen? We zullen daar niet snel achterkomen, maar laten we hopen op het laatste.

De grootste fout die je als lobbyende organisatie kunt maken is dat je methoden kiest waar je je het prettigst bij voelt, zonder te kijken naar waar je het meeste effect mee sorteert. De kunst van een ware lobby is: een goede analyse maken van wat een beslisser in beweging brengt en daar je methode op aanpassen. Soms activistisch, soms niet. Want goede middelen zijn de middelen die het doel binnen bereik brengen. En dat zijn niet altijd de middelen waar je je het meest comfortabel bij voelt.

———————————————————————————————————

Op de verjaardag van mijn moeder

“Ik dacht dat je bij GroenLinks werkte. Niet mijn partij, maar toch beter dan lobby”.
Lekker begin van een babbeltje op een feestje.

“En wat vind je dan van de wapenlobby?” Nog zo eentje. Het is net of ik een moslima ben die zich voor elke terreuraanslag moet verantwoorden. Waanzin.

Mijn antwoord?
“Ik word niet vrolijk van hun doel, en helaas zijn hun methoden ook niet al te best. Overigens word ik ook niet altijd blij van de autolobby, een lobby waar naar ik vermoed uw partij erg naar luistert”.

Nee, inderdaad, dat zeg ik niet. Het is een feestje, en bovendien een gast van mijn moeder. Dus wat zeg ik wel?

“Zoals bij elk beroep kun je het inzetten voor goede en slechte doelen. En elk doel kun je proberen te bereiken op een wel of niet ethische manier. Lobby is daar niet anders in”.